Met de laatste voorstelling van “De dorstige kelen” hebben we afscheid genomen van Fons Francken als bestuurslid van Sterlicht, een functie die hij iets meer dan 50 jaar uitgevoerd heeft.
In het najaar van 2025 hebben enkele jongere Sterlichters Fons mogen interviewen over zijn jaren bij Sterlicht. Het resultaat hiervan leest u hieronder.
Wij willen hierbij Fons en zijn echtgenote van harte bedanken voor al die jaren trouwe dienst!
Fons, op 23 december 2025 ben jij officieel 50 jaar lid van het Sterlichtbestuur. Proficiat.
Merci. Dat is al lang hé. Dat is al meer dan een half leven. Ik ben in maart (2025) 79 geworden. Volgend jaar word ik 80.
Dus dan ben je vanaf uw 29ste bij Sterlicht.
We zijn hier komen wonen in mei 1975. En dan was er in december iets te doen hier in de parochiezaal. Daar was er een deel van Sterlicht en die vroegen, “Kom jij bij Sterlicht?” En zo ben ik erbij gekomen. Daarna in december de eerste vergadering. Daar zijn nog papieren van, het verslag van die eerste vergadering. Toen ben ik erbij gekomen samen met Coen de Jong, Marcel Quirijnen en Johan Gabriëls.
Wat zijn je eerste herinneringen aan Sterlicht?
Toen we hier kwamen wonen wist ik eigenlijk nog niet dat Sterlicht bestond. Dus de eerste bonte avond heb ik ook niet meegedaan. Het zit wat ver weg maar ik denk dat het het eerste of het tweede toneel was dat ik heb meegedaan. Zo zijn we er mee begonnen. Er was dus iets te doen in de parochiezaal en dan moet je jezelf toch eens laten zien hé. Maar wie het dan komen vragen is om er naartoe te komen, dat weet ik niet meer.
Op 23 december word je eigenlijk officieel ingeleid als bestuurslid. Wat ging eraan vooraf voor ze aan jou vroegen: “Wil je in het bestuur komen?”?
Ik zat daar en dan kwam de vraag: “Kom jij bij het bestuur van Sterlicht?”. Dan vroeg ik wat dat juist in hield. “We gaan een toneel spelen en een lichtwagen maken en zo. Dan kan je komen helpen.” En zo ben ik daar eigenlijk ingerold. Maar voor de rest is dat gewoon gekomen. En ook nog verlichting in de straat hangen. Dat hebben we dan ook nog gedaan. Dat waren eigenlijk de plezantste dingen.
In dat verslag van jouw eerste vergadering werd zelfs al gesproken over het zetten van de Kerststal.
De Kerststal zetten, dat werd toen ook al gedaan. Dan hebben we hier de kerststal gemaakt. En als er dan materiaal nodig was ging de ene persoon dat thuis halen, en een andere persoon ging weer iets anders van thuis halen.
Met het bouwen van de decors van toneel was dat juist hetzelfde. Als er iets te kort was ging iemand dat thuis halen. Wanneer het toneel dan gedaan was nam iedereen wat van hem was weer terug mee naar huis. Coen was toen aan het bouwen, en die hadden schoren. Hij is dan snel die schoren thuis gaan halen waarna hij zei: “Verdorie, ik kom die van de week weer halen hoor, want ik heb die thuis nodig.”. Dat is natuurlijk lachen geblazen.
Heb je zo nog anekdotes?
Ik ben eigenlijk begonnen met de elektriciteit te doen, maar hoe ik dat eigenlijk gedaan heb, dat weet ik niet. Ze zeiden tegen mij: “Zeg, dat zou zo en zo moeten.”. En dan zei ik: “Ja, we zullen dat proberen.” We hadden eens een heel lange buislamp hangen en terwijl ze aan het spelen waren viel die lamp naar beneden en ze speelden gewoon door want een paar zinnen later was het pauze. Tijdens de pauze hebben we alles opgekuist en omdat ze zo goed doorgespeeld hadden, dachten de mensen dat dat bij het stuk hoorde.
Ik had de lampen toen niet gehangen want ik had mijn been gebroken dat jaar maar ik had wel gezegd hoe ze alles moesten hangen, van op mijn krukken. Ja en die buislampen, dat waren dan niet van die gewone TL-lampjes, dat waren van die heel lange, want dat was van een afbraak ergens. Die hadden we gekregen, en dan was er iemand die zei: “Hier, neem dat mee, want dat is goed voor toneel, dan kan je verlichting maken.” Ik maakte toen, aan de hand van schakelaars van nachtlampjes, een bedieningspaneel voor het licht. We hadden toen nog geen schuiven hé. Ik schreef dan op welk knopje welk licht aan of uit deed.
Op een dag waren we klaar voor een avond toneel. Ik moest de belichting gaan doen maar toen kreeg ik een hartinfarct. Dan heb ik op spoed met Leo Van Dijck gebeld en gezegd: “Leo, ik lig in het ziekenhuis met een hartinfarct, ik kom vanavond geen toneel meedoen want dat gaat niet. Ze gaan me dadelijk naar Edegem brengen om een stent te steken.”. Jos Gommers zei tegen mij “Wat ben je nu allemaal aan het doen?” waarop ik antwoordde: “Ik moet die mensen toch inlichten zodat zij dat weten, hé.”.
Toen heb ik ’s nachts, toen het toneel gedaan was, vanuit het ziekenhuis gebeld: “Met mij is alles in orde, hoe was het toneel?” [Lacht].
Dat noemen ze dan toewijding aan de vereniging.
We hebben ooit een toneelstuk gespeeld dat er vier verschillende decors op moesten. Dan hadden we een kar gemaakt met een U-profiel en daar stonden die platen in. Het eerste decor hing eraan, bij de eerste wissel konden we die er af halen want daarachter hing het tweede decor. Voor het derde decor werden alle karren omgedraaid en het vierde decor werd daar dan aangehangen.
En dat lukte allemaal hier in het parochiezaaltje?
Hier hebben ooit drie caravans op het podium gestaan. Nu ja, stukken he, maar het was precies of er drie volledige op stonden. Het eerste lichtpaneel met schuiven werd gemaakt door Chil Van den Eynden. Hij werkte bij de Bell telefoon en kon dat tijdens zijn uren maken. Maar dat was wat omslachtig. We moesten dan een stekker uittrekken in de zaal en dan vanachter weer insteken. Als het toneelstuk dan gedaan was moest die stekker weer verstoken worden, anders hadden ze in de zaal geen licht. [Lacht] Maar dat was eigenlijk het eerste schuifsysteem dat we hadden. Zelfgemaakt door Chil.
Om even terug te gaan naar het verleden, uw eerste vergadering is ook de vergadering waar er beslist wordt om voor de eerste keer toneel te gaan spelen. In het verslag staat te lezen: “De vraag werd toen gesteld of het lichtcomité het initiatief ging nemen voor het opvoeren van een toneelstuk daar dit eigenlijk wel onder hun bevoegdheid valt, omwille van het cultureel karakter. Het antwoord was ja.”. Weet je daar nog iets van, hoe dat verlopen is?
Ik zei: “Jullie mogen toneel spelen, maar ik speel niet mee. Ik zal desnoods wel met de lampen spelen of zoiets, en helpen, maar toneel spelen zelf doe ik niet mee.”. Ik heb één keer een bonte avond meegedaan en misschien een stukje gezongen.
Je hebt altijd achter de schermen van Sterlicht gewerkt. Waarom niet vóór de schermen?
Dat was niets voor mij. Ik weet het niet. Ik heb me dat zelfs nog nooit afgevraagd. Ik heb van begin af aan gezegd: “Ik speel geen toneel mee, maar ik wil wel helpen.”
En met die bonte avond, dat weet ik nog, dat was een school, en er was een nonnetje. Er moesten vijf appels verdeeld worden onder vier. “Hoe gaan we dat doen?” en ik moest zeggen: “Appelspijs van maken en dan kan je dat het beste verdelen!”. [Lacht] Voor de rest moest ik niets zeggen.
Dat was in 1980, samen met de Stergalmers, die zijn toen nog door het podium gezakt. We hadden iets gemaakt waarop de Stergalmers zaten en dat moest naar voren gereden worden en terug naar achter. Dat podium was een gewone houten planché en ze zijn door die kar gezakt. Terwijl we ze wegduwden is het wieltje doorgezakt.Dan hebben we dat podium afgebroken en een betonnen vloer gemaakt waar we buizen in hadden gestoken. Zo kon je dat podium anderhalve meter vooruitrijden. Als het toneel dan gedaan was, duwden we dat terug naar achter.
En het dak, dat hebben we ook schuin gemaakt, zodat de souffleur daarachter nog licht genoeg had. En dan een beetje geïsoleerd. Dat hebben we gedaan toen de parochiezaal veranderd is, toen hebben ze dat stuk erbij gezet.
Toen we in het begin in de parochiezaal kwamen, en het sneeuwde, dan moest je oppassen, want het sneeuwde erdoor. Dat dak was totaal niet geïsoleerd. En dan hebben wij, vanuit Sterlicht gevraagd aan de parochie om die zolder te mogen gebruiken, om ons materiaal op te stockeren. Dat ging zogezegd niet, maar dan hebben wij gezegd: “We zullen de zolder volledig verstevigen en isoleren.”
In april 1976 wordt er voor de eerste keer toneel gespeeld van Sterlicht uit. Ik kan me voorstellen dat dat spannend was. Bouwde je toen al decor?
Wij bouwden decor. Coen (de Jong) stond met dezelfde shiften als ik. En dan begonnen wij eraan, terwijl men aan het repeteren was, maakten wij het decor. Dat werd allemaal gedaan, tussen het spelen door. En als Coen en/of ik vrij waren gingen we er ’s morgens ook al iets doen.
Coen had eens een schetsje gemaakt waarop we ons baseerden. Wanneer het zo goed als af was kwam Toon (Herrygers) en zei hij: “Dat is niet goed, en dat is niet goed, dat moet zo en zo.”. Waarop Coen dan antwoordde: “Als het je niet aan staat, doe je het maar zelf! Kom Fons, we zijn naar huis.” [Lacht]. Wij voerden maar gewoon uit wat we dachten dat we moesten doen hé. Toon was eigenlijk in het begin de man van het decor.
Je voert dat dan uit, maar ik kan mij voorstellen dat dat ook niet altijd even eenvoudig is?
Zoals ik eerder al zei, met die verschillende decors vroegen we ons af hoe we dat gingen doen. Dan zei Toon: “Ah, we doen dat zo en zo.”. We hebben eens een stuk gespeeld, ‘De filosoof van Hagem’, dan moesten ze met een ketel van de stal naar het woonhuis. Dat was met een balk die moest draaien. “Maar dat gaat toch niet, en dit en dat.”. “Ho!”, zei Coen en hij ging naar huis een knikker halen. Hij legde die knikker op de grond met een buisje erop en dat draaide perfect.
En het licht en het geluid deed jij toen ook al?
Ik deed gewoon het licht, het geluid deed iemand anders, dat heb ik niet zoveel gedaan. Maar geluid, dat was in het begin allemaal nog niet. Zoals gezegd, het licht, althans, de lampen die erbij werden gehangen, was met knopjes van nachtlampjes. Dat was lamp per lamp.
Op het podium daar hingen vaste lampen. Maar dat waren dan gewoon buislampen. En dat was dan opzij, gewoon een schakelaar omhoogduwen. Ik had mijn kastje daarnaast gehangen en dan stond ik daar in het hoekje.
Dat hebben we veel jaren zo gedaan tot er in de zaal verhogingen werden gemaakt. Stan Paelinckx was toen meestergast op de gemeente en hij zei: “We zullen eens iets maken!”. Wat nu gebruikt wordt als podia van de gemeente, had hij toen laten maken op de gemeente dat net paste tussen de toog en de muur. De planken moesten juist gelegd worden want als je het omdraaide paste het niet meer. De eerste keer dat we ze legden hadden we ze verkeerd gelegd dus moesten we alles eruit halen en omdraaien.
Van dan af zat ik vanachter, als je binnenkwam, rechts in het hoekje. We moesten extra kabels bijleggen want alles moest van daar bediend worden met de schuifjes, die gemaakt waren op de Bell telefoon. Daar hebben we heel wat jaren mee gewerkt. Het eerste was acht schuifjes en de volgenden waren al twaalf schuifjes voor verschillende lampjes.
Het gebeurde wel eens dat het toneel was, maar ook een begrafenis. “Mannen, dat verhoog (podium) moet er helemaal uit want het is koffietafel deze week.”. Dus hebben we al die verhogingsstukken op het vaste podium gestapeld zodat wanneer de koffietafel voorbij was, we het weer in elkaar konden steken.
Die ondersteuning van de producties die je altijd gedaan hebt, dat kan toch niet simpel geweest zijn?
Ja, soms denk je: “Verdorie, hoe gaan we dat doen?”. Dan spraken we met een paar af om het eens te overleggen hoe we het zouden doen. Veel brainstormen. Als we dan iets gemaakt hadden, of toch een idee hadden, vroegen we wel eens aan anderen of zij het ook zo zouden doen. Het was dikwijls een uitdaging maar we vonden steeds een oplossing.
Hetzelfde verhaal met de Kerststal. Louis Raats was destijds schrijnwerker op de gemeente en heeft toen heel de Kerststal gemaakt bij hem thuis. Dat was onze tweede Kerststal, waarvan nog steeds delen gebruikt worden. De eerste Kerststal was helemaal versleten.
Het vervoer van de Kerststal, maar ook het podium, werd altijd gedaan door boer Wouters. Hij reed dan naar het gemeentehuis waar alles werd opgeladen. Toen hij alles aan het terugvervoeren was werd hij staande gehouden door de politie. Hij mocht dat niet met de tractor vervoeren. De politie wou hem daarvoor een boete geven waarna hij zei dat het voor een goed doel was, voor een toneelvereniging. Daarna heeft men bij de gemeente gezegd: “We gaan dat anders doen.”. En sindsdien bestaat de uitleendienst van de gemeente.
In zekere zin zou je dus kunnen zeggen dat het door Sterlicht is, althans, doordat boer Wouters ons materiaal aan het vervoeren was, dat de uitleendienst van de gemeente bestaat. Iedereen moest daarvoor altijd alles zelf op de gemeente gaan halen.
En dan begonnen ze met licht in de straat. Toen zijn we bomen gaan uitdoen, de schors er allemaal af en dan wit schilderen. Zo hadden we vlaggenmasten om heel de straat vol lichtjes te hangen. Zo ben ik verschillende avonden bezig geweest met lampjes in de soketten van een kabel te steken, hier in de keuken.
Als we dan onze Kerstverlichting aan het hangen waren en we staken de stekker in het stopcontact, pats!, kortsluiting. Dat de buren al tegen mekander zeiden “Lap, die van Sterlicht zijn weer bezig.”. Lichtwagens heb ik nooit meegedaan. Het is ooit nog wel eens gevraagd aan Sterlicht om dat te doen maar dan heb ik gezegd: “Doen jullie maar, maar ik doe niet mee.”. En toen heeft niemand het nog gedaan.
Sprak je dat niet aan om dat te bouwen? Je hebt toch heel wat ferme decors gemaakt ook?
Je hebt nog een huishouden ook, hè?
Dat is te druk. En dan, in de tijd, dat ik zowel shiften deed als bij de begrafenisondernemer werkte ging ik wanneer ik met de late stond begrafenissen doen en als ik met de vroege stond kisten garneren.
En dan op een zeker moment moet je eens kunnen zeggen, ik stop er mee, hè. En dan heb ik gewoon gezegd ik doe alleen nog Sterlicht en voor de rest niks.
Je hebt waarschijnlijk ook wel heel wat fantastische decors gezet hier in Sterbos?
Ja, er waren er wel eens bij waarvan je dacht “Hoe moet dat?”. Er was er ooit zelfs een bij met drie verdiepen. Toen moest er iemand met een ladder op het podium, onder een balk om in het gevang te kruipen. Dat waren drie gevangeniscellen op mekaar. “Er moeten hier drie verdiepen komen.”, zei Toon dan. Waarop geantwoord werd: “Allez Toon dat gaat toch niet?”. Waarna Toon zei “Doe wat je wilt, maar dat moet er komen”. En zo geschiedde. ‘Dat gaat niet’, bestaat niet.
Elke decor is verschillend. Daar hebben we het eerder al over gehad. We hebben heel wat mooie decors gezet, sommigen makkelijk, anderen bijna onmogelijk. Maar het is ons altijd gelukt.
Wat was de moeilijkste?
Die vier verschillende decors. Als er gezegd wordt: “Mannen, dit stuk gaan we spelen en we hebben zoveel verschillende decors nodig. Maak maar.”. Ik weet niet meer wie, maar er was iemand die eens ergens heen was geweest en die zei dat dat met karren gemaakt was. We zijn daarnaar gaan kijken en zo hebben wij ze ook gemaakt. U-profielen met wieltjes onder.
Het decor met die caravans leek net echt. We hadden oude caravans gevonden waar we simpelweg de kanten hebben afgeslepen. Zo hebben we van anderhalve caravan, zogezegd, drie caravans gemaakt.
Het decor met de drie verdiepen en het decor met de draaibalk zijn diegene waar ik het meest trots op ben.
Hoe zit het dan met decors op verplaatsing?
Alles ging mee. Als we in Heist-op-den-berg speelden was er een bloemist die alles met zijn vrachtwagen kwam halen. Vrijdagavond kwam hij dat ophalen. ’s Zaterdags ’s morgens reden wij naar daar om het decor in mekaar te steken. Tegen dat het toneel gespeeld moest worden, ’s avonds, stond het decor klaar. Na het toneelstuk braken we alles weer af en zetten we het in de vrachtwagen. Zondagmorgen stond dat weer hier in de parochiezaal.
Dat hebben we een jaar of drie of vier gedaan. Ook in Wommelgem en Loenhout. In Loenhout zag ik eens dat het decor aan het omvallen was. Ik was juist op tijd om het tegen te houden. Samen met Coen liep ik tijdens het stuk door de zaal om het tegen te houden. Dan hebben we het tijdens de pauze terug vastgezet.
Zijn er over de afgelopen 50 jaar momenten geweest waarop je echt wilde stoppen?
Nee, eigenlijk niet. Soms was het wel eens een gezever of ambras of zo. Maar dan zeiden we dikwijls “Kom, we gaan eerst een pintje drinken en dan zullen we wel zien hoe het is.”. Dan dronken we samen iets en praatten we gewoon voort.
[Vraagt aan zijn echtgenote “Heb ik dat van m’n leven ooit gezegd, dat ik thuiskwam van ‘Verdorie, ik ga er niet meer naartoe, het is gedaan’?” Waarop zij volmondig “Nee” antwoordt.]
Het enige spijtige dat ik zou kunnen zeggen is de verhuis van Sterbos naar Wuustwezel. Dat vind ik jammer omdat het niet meer zo dicht bij huis is en dat het hier zo gemakkelijk was. Hier was het als ik niet naar huis kon gaan, kon ik nog altijd kruipen. [Lacht]
Hoe heeft, volgens jou, Sterlicht jouw leven beïnvloed?
Veel plezier gemaakt. Dat vind ik. Veel plezier gemaakt. En eigenlijk veel geleerd. Want ik kende eigenlijk niets van elektriciteit. Maar ik probeerde altijd maar iets te doen.
Bijvoorbeeld in de tijd tegen de Oktoberfeesten. Toen kwamen er tenten staan. En dan moest er ook licht in komen. Dan gebruikten wij lampen van Sterlicht. Willy Loos heeft toen wat kasten gemaakt voor de Oktoberfeesten die we nadien ook gebruikten voor toneel.
Maar ik heb dat altijd heel graag gedaan. Als het bijvoorbeeld om acht uur toneel is, was ik er om half zeven omdat ik de toog ging doen en er een nieuw vat moest aangesloten worden. Dan moest ik dat toch eerst wel even proeven natuurlijk.
Ik heb het nooit tegen mijn zin gedaan.
Ik heb nog één vraag. Wat zeg jij tegen jongeren die twijfelen om bij een toneelvereniging te gaan?
Ik zou dat terug doen. Gewoon doen.
Je moet er tijd voor hebben en je moet er tijd voor maken. Ik had dikwijls ook iets anders aan de hand waarop ik moest zeggen: “Sorry, dat gaat niet hoor, ik moet voor het decor weg.”.
Als ik dat moest beslissen, zou ik terug beginnen.
Ik ga nu het volgende toneel nog doen en dan ga ik stoppen. Volledig stoppen. De koffiekoeken zal ik nog gaan halen en brengen, maar voor de rest… Het is goed geweest.
Bedankt Fons!
